Service > Veel gestelde vragen > Waar moet ik op letten

Waar moet ik op letten?

Hieronder enkele punten die voor alle toestellen gelden. Ga ze na om vervelende verrassingen te vermijden:

1. Heeft de speelplaats van mijn kind een aangepaste bodembedekking? De bodembedekking is van belang: ze bepaalt of kinderen rond kunnen rennen zonder al te groot risico op verstuikingen, struikel- en valpartijen of actieve of passieve verstoring van het spel. Er moet speciale aandacht worden besteed aan de zones waar gespeeld wordt (geen obstakels of gevaarlijke punten) en de zones waar valpartijen kunnen plaatsvinden. Het is uiteraard van groot belang dat de gebruiks- en/of valzones voor de verschillende toestellen elkaar niet overlappen en dat er ook niet onder de toestellen doorgerend kan worden.

2. Kan mijn kind van een hoog punt afvallen? Er moeten uiteraard overal relingen geplaatst zijn om te voorkomen dat een kind van een hoog punt afvalt. Als een kind van een toestel afvalt dat hoger is dan anderhalve meter, is de kans op ernstige gevolgen groter. Laat kinderen onder de 5 jaar niet op toestellen van meer dan anderhalve meter hoog klimmen. Is uw kind ouder en speelt het op een toestel van meer dan anderhalve meter hoog, ga dan na of het toestel stevige relingen heeft om valpartijen te voorkomen. Ga ook na of de bodembedekking dik en flexibel is. Houd uw spelende kind ook goed in het oog.

3. Zijn de toestellen goed onderhouden? Het gebruikte materiaal en de mate waarin de toestellen onderhouden worden, is uiteraard essentieel voor de veiligheid van de kinderen. Splinters, vervormingen, vernielingen, afgebroken of scherpe onderdelen, tekenen van verrotting, roest of overmatig gebruik, losse – of zelfs ontbrekende – schroeven of bouten kunnen kleine verwondingen veroorzaken die gemakkelijk vermeden hadden kunnen worden.

4. Kan mijn kind op de grond vallen zonder zich pijn te doen? Inspecteer de zones waar een kind "landt", valt en weer opstaat, zoals onder een glijbaan, en de zones waar meer kans op valpartijen bestaat. De grootte van deze zones, het gebruikte bodembedekkingsmateriaal en de dikte van dit materiaal zijn van belang. 

Kies liever een speelterrein met een dikke, losse bodembedekking of met rubberen ondergrond (tegels of gegoten rubber) dan met een bodem van aarde of gras. De bodem moet bedekt zijn met rubber of een ruime hoeveelheid zand, fijn grint of houtsnippers. Zo is uw kind beschermd bij valpartijen. Is de bodembedekking van het speelterrein niet dik en ook niet los, laat uw kind dan alleen op lage toestellen spelen. De laag moet minstens 15 tot 30 centimeter dik zijn.

Ga voordat u uw kind op een toestel laat spelen waar het af kan vallen, na of het toestel voorzien is van relingen, leuningen en hekwerk om valpartijen te voorkomen. Inspecteer het toestel op glasscherven, afval, scherpe hoeken en uitstekende schroeven. Ruim alle glasscherven en rommel op voordat u uw kind laat spelen. Is uw kind oud genoeg, leer het dan op te passen voor scherpe hoeken of schroeven. Houd een jong kind goed in het oog om te voorkomen dat het zich aan scherpe hoeken stoot.

5. Kan mijn kind op dit speelterrein met zijn vingers klem komen te zitten? Op een speelterrein bestaat altijd kans dat uw kind bekneld raakt. Dat kan komen door vastzittende delen (bv. spleten tussen traptreden of klimrekken) of bewegende onderdelen (kettingen van bv. schommels, draaimolens, …).

Denk er ook aan dat de koordjes van een capuchon vast kunnen komen te zitten terwijl het kind springt of zich laat glijden. 

Hoewel de gevolgen meestal minder ernstig zijn, kunnen slecht ontworpen of onderhouden losse onderdelen (te veel ruimte of "speling" tussen losse onderdelen of tussen losse en vaste onderdelen) jammer genoeg diverse gevallen van beknelling en vermorzelde vingers veroorzaken.

Let op openingen waar het hoofd of de nek van uw kind vast kan komen te zitten. Sommige openingen kunnen groot genoeg zijn voor het lichaam van uw kind, maar te klein voor het hoofd, waardoor het kind gewurgd kan worden. Een opening is ongevaarlijk als ze kleiner is dan 9 centimeter of groter dan 22,5 centimeter doorsnee. Belangrijke plaatsen om te inspecteren zijn de openingen tussen de traptreden van een glijbaan en de ruimte tussen de spijlen van relingen.

Houd uw kind goed in het oog.

Leer uw kind deze veiligheidsregels voor het speelterrein:
Wacht op je beurt;
Steek je voeten vooruit als je van de glijbaan gaat;
Klim niet op de ladder van de glijbaan voordat het kind vóór jou naar beneden is gegleden;
Houd je vast aan de reling;
Ga zitten op de schommel of als je van de glijbaan glijdt;
Blijf uit de buurt van de schommel en het uiteinde van de glijbaan als er iemand op zit.

Is uw kind tussen de 5 en 9 jaar oud, houd dan toezicht terwijl het speelt: kinderen in deze leeftijdsgroep nemen graag risico’s. Let erop dat uw kind op een veilige manier met de toestellen speelt.

Als uw kind jonger is dan 5 jaar:
Laat het kind niet spelen op toestellen die meer dan anderhalve meter hoog zijn. Anderhalve meter is een hoogte waar de meeste volwassenen goed bij kunnen. Laat uw kind niet hoger klimmen dan waar u goed bij kunt.
Blijf steeds naast uw kind staan terwijl het op hoge toestellen klimt of speelt of terwijl het op de schommel zit. Zorg dat u uw kind steeds gemakkelijk kunt opvangen als het dreigt te vallen.
Blijf steeds dicht bij uw kind. Volg uw kind naar de verschillende toestellen op het speelterrein.
Laat uw kind niet spelen op toestellen die voor oudere kinderen zijn bedoeld. De toestellen op een speelterrein zijn vaak bedoeld voor twee verschillende leeftijdsgroepen: kinderen onder de vijf jaar en kinderen van vijf tot twaalf jaar. Kan uw kind niet bij een toestel, dan mag het er niet op, want dan is het duidelijk bedoeld voor oudere kinderen.

Waarom is toezicht zo belangrijk?

De meeste ongelukken op speelterreinen vinden plaats op een moment dat het kind niet goed in het oog wordt gehouden. Blijf dicht bij uw kind en leer het veilig te spelen. Maar denk erom, spelen moet altijd leuk blijven!